In mijn sectie zitten Harrie en Hugo. Beiden ervaren leraren maatschappijleer en ze zijn geloof ik even oud. Het zijn twee uitstekende docenten. Toch kan het verschil bijna niet groter zijn dan tussen deze twee collega’s. Harrie denkt en doet digitaal, hij is een coachende leraar en wanneer het vernieuwenderwijs kan, dan kiest hij daar voor. Hugo is daar wars van: hij schrijft zijn aantekeningen op een whiteboard, is continu met zijn klas in gesprek en ondersteunt dat af en toe met een videofragment. Harrie zucht over het gebrek aan goede ICT, Hugo klaagt over het gedwongen gebruik van ICT. De een wordt te weinig gefaciliteerd, de ander te veel. Loopt Harrie nu voorop, of Hugo achterop?

Je ziet scholen met de overgang naar digitaal worstelen. Hoe, wanneer en waarom maak je de overstap naar digitaal. Ga je duwen of ga je kneden? Waar zet je op in? Het blijven investeren in scholing voor leraren die toch niet overstappen naar digitale didactiek? Het inrichten van kostbare computerlokalen? Schaf je zelf tablets aan of laat je leerlingen er een aanschaffen? Kies je voor revolutie of evolutie?
Op deze vragen zijn de afgelopen jaren geen vaste antwoorden gevonden. De klassieke vergelijking tussen een klaslokaal van nu en een van 100 jaar geleden gaat nog altijd op: je ziet maar weinig verschil. Toch zal deze vergelijking niet lang meer op gaan. De komende tien jaar zullen we meer veranderingen gaan zien binnen de school en dat heeft alles te maken met de ‘millenialdocent’.
Er komt een nieuwe generatie het onderwijs binnen. Voor hen is digitaal niks bijzonders meer. Het is net als het bord en stift een manier om informatie over te brengen. Geen doel, maar een middel. Het is ook de generatie van iPhone, Netflix, Uber, Thuisbezorgd en Facebook. Een generatie die alles digitaal meet en weet. Zij zien en kennen de mogelijkheden van digitaal en zullen dat gemakkelijk integreren in hun lespraktijk. Waar het voor de oudere generaties een opgave is, een compleet andere manier van denken, zal het voor de nieuwere generatie leraren allemaal heel gewoon zijn.
En gelukkig maar. Want de leerlingen van dit moment snakken naar ander onderwijs: ze raken verveeld in de klas, want de (digitale) wereld ligt ná schooltijd in hun handbereik: virtual reality, gamification, social media, augmented reality, artificial intelligence. Misschien doet u er niks mee, heeft u geen idee, maar zíj wel.
De medialisering gaat in volle vaart. Dus wie in ons vakgebied nog aankomt met een krant in de klas heeft geen flauw idee wie de doelgroep is. Gelukkig voor een leraar maatschappijleer kan hij blijven praten. Ons vak moet deze veranderingen kunnen duiden. Uitleggen wat voor moois, goeds, slechts of gevaarlijks deze veranderingen kunnen voortbrengen. De wiskundedocent, de taaldocent zij krijgen vooral te maken met gepersonaliseerd leren. Leraren maatschappijleer moeten vooral gebruik maken van de schatkamer die het internet heet.
Onze huiskamers worden steeds meer digitaal, dus dat staat het onderwijs ook te wachten. Nieuwe generaties leraren en onderwijsuitgevers gaan dit brengen. Zij zullen samen optrekken in nieuwe gedigitaliseerde leeromgevingen, waarbij gepersonaliseerd leren voorop staat.
Loopt Harrie dus voorop? Ja, Harrie loopt voorop, ver voorop. Moet Hugo mee? Van mij niet. Een leraar maatschappijleer moet vooral bijblijven, weten wat er in de samenleving speelt en dat kunnen uitleggen. Hugo weet dit haarfijn uit te leggen. Zolang wij in ons curriculum kennis boven vaardigheden stellen, kan iedere leraar trouw blijven aan zijn eigen stijl. Het leerrendement van een leraar wordt gelukkig niet bepaald door de mate waarin hij digitaal lesgeeft, maar wel de passie waarmee hij zijn vak weet over te brengen en de leerlingen voor hem kan laten werken.
Dit artikel schreef ik voor het vakblad maatschappij & politiek, oktober 2017
